Onderzoek P.L. Tack

Inleiding van het manuscript

De Walcherse Veldnamen in de Overlopers van de Polder Walcheren anno 1566-1675.

Onder veldnamen verstaat men eigenlijk de namen van eigenaardigheden van het land buiten de ring der bewoonde plaatsen: steden, dorpen en gehuchten; namen dus van wegen en paden, heulen en hofsteden, laagten en hoogten, maar in het bijzonder van complexen of percelen bos, heide, weide- en bouwland. Veldnaam, eng. Fieldname, is niet zo gelukkig gekozen als het hoogduitse Flurname, het Franse lieu-dit of nom d’écart en het engelse minor name, maar veel vaker dan ons lief is moeten wij met de taal, onvolkomen uitdrukking onzer gedachte, genoegen nemen. Door naamgeving wordt het benoemde in het landschap onderscheiden van al het andere: het komt uit de naamloze uitgestrektheid naar voren. In dat opzicht zijn de veldnamen te vergelijken met de namen der haltes van tram of bus, die door het enkel feit dat deze er stilhoudt, eveneens uit het neutrale beeld der stadsmassa naar voren treden.

Veldnamen zijn vaak ouder dan? Alle geschreven bronnen en het zoeken naar hun betekenis leidt soms tot verrassende uitslagen, zelfs daar waar de geschiedenis en de archeologie ons in de steek laten. Door hen komen wij typische bijzonderheden over de oudste nederzettingen en over primitieve agrarische toestanden op het spoor. De toponymist ondervindt voortdurend de diepzinnige waarheid, opgesloten in de volgende waarden van den Duitse agrar-historicus d Matzen: “In der tat wandeln wir in jeden dorfe gewissermassen in den ruinen der vorzeit; und zwar in ruinen, die an Alter die romantischer Trümmer der mittelalterlichen burgen und stadtmaueren weit hinter sich lassen. Bei jedem schritt, überall in hof und feld können wir spuren der ältesten anlage begegnen und das kartenbild der besitzungen ist eine eigenartige schrift, die uns id…n und zwecke der begründer wie in hieroglyphen lesbar übermittelt.” (Siedelung und agrarwesen der West- und Ostgermanen, I, 28).

Het eerste deel van dit werk bevat de lijst der veldnamen uit de overlopers der vier wateringen van de Polder Walcheren anno 1566-1675. Elke ambachtsheerlijkheid of parochie bestaat uit een zeker aantal aaneengesloten complexen of blokken, waarvan de overlopers de oudste systematische opgave bevatten, met vermelding van alle daarin buiten de ring van het dorp gelegen percelen. Voor ieder perceel zijn de namen van eigenaar en gebruiker – die dezelfde persoon kunnen zijn – alsmede de feitelijke oppervlakte in gemeten en roeden ingeschreven. Om de zeven jaar weden de landen opnieuw “verhevend” of opgemeten en de percelen, eigenaars, pachters of baanders en oppervlakte van hun ambacht en in hun blok in de nieuwe overloper ingedragen. De overlopers vormden de grondslag voor het berekenen van de verponding van het verschuldigde dijkgeschot. Elders worden zulke kohiers ter invordering van de polderbelasting veldboeken, leggers, polderleggers of maatboeken genoemd. De jongste overloper is die van de Westwatering anno 1675, de oudste die van de Oostwatering anno 1566. Er moeten er nog oudere bestaan hebben, want in de oudste overloper wordt verwezen naar den ouden boeck, d’ oude boecken, de voorgaende overlopers en naar de overloper van het jaar 1528 (overloper Oostwatering anno 1566, folio 177v, 138r, 301r en 276r). Er zijn ook overlopers tot stand gekomen, bijvoorbeeld die van de Oostwatering anno 1607, bij wijze van oversetterie, dit is door afschrift van het origineel, want aan verschillende autoriteiten moest een afschrift van elke overloper bezorgd worden. Bij zulke over oversetterien moesten de veldnamen het nogal eens ontgelden, doordat de copiist het woord soms niet goed lezen kon en er dan maar wat van maakte. Zeker zijn aan slechte oversetterie verminkingen toe te schrijven als Majalem < Mueleghem; Ratelweie < Rasvel <Raffeel < Roffoel < Rafaelweije; Berch bij Vos < Berch bij Bas e.m.a.

Voor de lijst der veldnamen van elke watering vindt men de daarvan nog bestaande overlopers aangegeven. Hun getal blijkt gering in vergelijking met hetgeen er geweest moet zijn. Daar de overlopers om de zeven jaar vernieuwd werden, bedroeg het getal voor elke watering in de tijd van een eeuw al veertien, zonder rekening te houden met de afschriften. Het nog voorhandene is echte nog een grote, onwaardeerbare schat. Meestendeels berusten de overlopers in het Rijksarchief-depot te Middelburg; enkele exemplaren in het archief van de Polder Walcheren, het gemeentelijk archief te Middelburg of te Veere. In meer dan een opzicht zijn de overlopers van grote waarde, inzonderheid voor de veldnamen, die tussen de droge beschrijvingen der percelen in, het oog van den grondige lezer aangenaam verrassen. Het was een moeizaam en langdurig werk, die 22 zware folianten van ± 300 folio’s elk, aandachtig te lezen en te herlezen, van het oudste exemplaar van elke watering af tot het jongste en onder het lezen de veldnamen telkens op te schrijven met bijvoeging van folio, blok, ambacht en aanvullende, soms ophelderende bijzonderheden, verder na te gaan of de veldnamen van het oudste handschrift in de jongere leggers ook nog voorkwam of niet en of er soms ook nieuwe veldnamen waren bijgekomen. Niet minder moeizaam was het opmaken van een kaartsysteem, waarin al de verzamelde vindplaatsen van elke veldnaam in chronologische volgorde werden ingeschreven ter verkrijging van een synoptisch overzicht, terwijl voor het aanleggen van het register de kaarten nog eens alfabetisch moesten gerangschikt. Het heeft jaren geduurd, eer wij dat werk onder de knie hadden (doorgestreept: en het heeft ons nooit verveeld). In het register is naar een zekere eenvormigheid in spelling gestreefd, voor de spellingvarianten verwijzen wij naar de vindplaatsen. De benaming veldnamen hebben wij in een nogal ruime betekenis opgevat, zodat daaronder ook al eens een ambachtsnaam als Noortmonster, Overdamme, Poppendamme, Seijs, Schellacht, Spint, Wellinckwerve en Poppenroede loopt, of een crypto-veldnaam, dat is een veldnaam op een persoonsnaam geënt, bijv. Claes Leenders “op den Doel”, Jan Adriaenszoon “opt hoge duvecot”, Pieter Jans “Mapit”, Jan “in de Weijen”, Moyses “ten Abeele”, Willeboort Adriaen “op de Santpit”, Willem Laureys “in Weyvliet” e.a. Bloknamen zijn in vindplaatsen en register alleen in zover opgenomen als zij afzonderlijke verklaring behoeven. Uit een overzicht van het werk kunnen wij besluiten:
1. In de loop der tijden zijn er weinig nieuwe veldnamen bijgekomen.
2. Oude veldnamen verdwijnen, tal van zinrijke benamingen van erven en weiden, akkers en wateren sterven af door het samenvoegen of splitsen van percelen, het scheuren van weiden, het rooien van bossen, het vergraven van land voor het ophogen van wegen of versterken van dijken, het verdonkeren of verleggen van wegen en paden, het dempen van sloten, het uitbreiden van steden en dorpen, het vervliegen van duinen en overstuiven van land, het ontginnen van derrinkmoeren, rietmoeren en rietpannen.
3. Op de Noordwatering vallen 173 veldnamen Op de Westwatering vallen 316 veldnamen Op de Zuidwatering vallen 377 veldnamen Op de Oostwatering vallen 821 veldnamen Deze laatste was al vroeg het gebied der meest intensieve bebouwing, omdat daar een Brede van West naar Oost lopende landrug ligt, gevormd door de verlanding van een vroegere stroomgeul, hoog gelegen met goede afwatering, zwavelige klei en zoet welwater, uitstekend bouwland geschikt, waarop Oostkapelle en Vrouwenpolder liggen. Ook in de Westwatering loopt er zo een hoge strook van Vlissingen over Koudekerke tot bij Zoutelande. Naast en tussen beide kammen liggen lagere veenkommen, overdekt met een zware ondoorlatende kleisoort, slechts voor weiland geschikt, waarop het veebedrijf uitgeoefend kan worden. Deze samenkoppeling van landbouw en veeteelt is nog heden het typische kenmerk van het Walcherse boerenbedrijf (z. Vlam, kaart no. II)
4. De bloknamen berustende op persoonsnamen vormen de overweldigende meerderheid: 75% tegenover 25%.
5. Bos moest plaatsmaken voor bouwland. Toch is er maar één plaatsnaam op –rode, nl. Poppenroede.
6. Duinlanden en nieuw ingedijkte polders leveren weinig of geen veldnamen op.
7. Onder de Walcherse veldnamen bevinden zich geen –apa-? Namen, geen akkernamen, behlave d’Akkerkens, geen biest-, brink-, esch-, enk-, laar-, loo-, sele-, bos-, donk-, broek-, -maal-, straten-, kouter-, tun- en rode-namen (behalve Poppenroede), geen collectieven op –t, slechts één naam op -voorde, nl. Zandvoorde, daarentegen zijn de toponiemen dijk, dam(me) en kerke goed vertegenwoordigd, alsmede duin, ee, land, pad, polder, vliet, weel, werf en zand.

Herhaling in de overlopers van de naam van hetzelfde perceel vindt zijn oorzaak in grensbeschrijving. Een molen bijv. kan ten opzichte van het ene perceel ten n. liggen, ten opzichte van het andere ten z., terwijl zich tevens het feit kan voordoen, dat dit laatste in een ander ambacht of blok ligt. Dienvolgens beantwoordt het aantal bewijsplaatsen van een veldnaam feitelijk niet aan zovele afzonderlijke percelen. Onder de grensbeschrijvingen der blokken komen er heel aardige voor, zodat wij de lust niet kunnen weerstaan er hier een paar staaltjes van te geven: “den block voor Mathijs jansse daar Matthijs Hughe plach te woonen, den hootwaterganck leyt oost, der heerenwech zuyt, Oosterzouburch west ende begint van voor de deure daer Mathijs Jansse plach tte woonen ende nu laest Adriaen Pieter Bussaert ghewoont heeft ende nu Pier Jonckheer in gewoond heeft”. (overloper Westwatering anno 1589 fol. 68v). “den block voor Adriaen Roels Claes deure daer Pieter Maerts in plach te woonen ende nu Jacuques Gillee huysinge in staet, daer Roelant Roelants op woondt, achter Everdey Matthijs hof, daer Meeus Cools op woont ende begint in den boogaert”. (overloper Westwatering anno 1622, fol. 178r.) “den block daer Jonge Jan Adriaens zone Bevelander plach te woonen ende nou woont doude Adriaens Oirts zone ende Pier Mathijs zone – ende daer de Corenmolen staet, begonnen van de zuytwesthoek inne op de proest landt oostaf de sprincke, zuytwest ende noortaf het einde op de sprincke aen de noortzijde van Pieter Jan Huysen”. (overloper Noordwatering, anno 1585, fol. 245r).

Wis en zeker bestaan er op Walcheren ook andere veldnamen dan in dit werk aangegeven en het zou mooi en lonend zijn, voor elke Walcherse gemeente na te gaan, of de hier opgetekende veldnamen nog in gebruik zijn en de lijst aan te vullen. In tussen had een door ons tot de Walcherse gemeentebesturen daaromtrent gerichte vraag een bedroevende uitslag. Op enkele uitzonderingen na bleken de hier verzamelde veldnamen en hun betekenis onbekend te zijn.

Dit herinnert ons aan het reeds zo vaak aangehaalde maar toch nog altijd treffende woord van den Deensen filoloog Axel Olrik: ‘Ons land strekt zich voor ons uit als een reusachtig tapijt, vol inscripties en wij vragen onszelven af: zullen wij er in slagen dit geschrift te ontcijferen, alsvorens het uitgewist is?” (Danske studier, 1911, blz. 127). Wij voegen er aan toe: toponiemen zijn als in het oeverzand geschreven woorden. Nu zijn ze nog leesbaar, maar straks als de vloed opkomt, wissen de golven de nu nog leesbare tekens uit, zodat er geen spoor van overblijft. Laat ons daarom toponiemen verzamelen, eer het te laat is. Zoveel waardevol materiaal is reeds onherstelbaar verloren gegaan. Het eerste deel van dit werk geeft alleen het materiaal, nl. een chronologisch overzicht der veldnamen uit de overlopers van de Polder Walcheren anno 1566-1675, gerangschikt volgens watering en heerlijkheid en besloten met een alfabetisch register. Het tweede deel brengt de bewerking: de uitslagen van ons onderzoek naar de afkomst en betekenis dezer veldnamen in alfabetische volgorde. Namen, waarvan de betekenis op het eerste zicht duidelijk is, zijn niet behandeld. Waar het ons onmogelijk was, voor een toponiem een passende verklaring te vinden, hebben wij dit aangegeven, in de hoop dat een andere moge slagen waar wij te kort schoten.

P.L. Tack Nijmegen, 15 juli 1942

 


Tack schreef: "... toponiemen zijn als in het oeverzand geschreven woorden. Nu zijn ze nog leesbaar, maar straks als de vloed opkomt, wissen de golven de nu nog leesbare tekens uit, zodat er geen spoor van overblijft. Laat ons daarom toponiemen verzamelen, eer het te laat is.
"