Tiendblokken

Tiendrecht en -heffing

Het tiendrecht was van oorsprong een kerkelijke belasting in natura die de boeren aan de eigenaren van hun land moesten betalen. De grondeigenaren hadden een jaarlijks recht op een evenredig gedeelte van gewassen die op het land groeiden en van de op dat land vertoevende dieren. De tienden van de gewassen die moesten worden afgestaan (vruchttienden), waren onder te verdelen in grove of grote tienden voor vooral tarwe, rogge, gerst en koolzaad, en in kleine of smalle tienden voor onder meer erwten, bonen, gras en hooi.[1]

Op Walcheren hield het tiendrecht in dat de tiendplichtigen het elfde deel van de opbrengst van hun land (tarwe, rogge, gerst, haver, bonen) afstonden aan de grondeigenaar, tiendheffer genoemd. Voor de landbouwers, tiendplichtigen genoemd, was het afstaan van een gedeelte van hun producten in feite een last op de bruto-opbrengst van het land. [2]

Vanaf 1872 was er de mogelijkheid om tienden af te kopen. In 1907 werd de Tiendwet van kracht. Met deze wet, waarin de tienden als belasting werden afgeschaft, werd een als onrechtmatig gevoeld middeleeuws belastingsysteem opgeheven. 

Het tiendrecht voert terug tot aan het offer van Abraham die na zijn overwinning op enkele koningen tienden van zijn buit schonk aan de hogepriester Melchizedek.[3] Voor de eerste christenen gold de tiendplicht nog niet. Allengs waren de vrijwillige gaven niet meer voldoende en daarom begonnen de kerkvaders uit te zien naar vaste financieringsmiddelen voor hun expansiepolitiek. Hierbij viel het oog op de tiendenbelasting. In 764 vaardigde Pepijn van Herstal (de vader van Karel de Grote) een decreet uit dat bepaalde dat voortaan iedereen tiendenbelasting aan de kerk was verschuldigd. Na de kerstening van ons land werd de tiendenbelasting ook hier ingevoerd.

In de Middeleeuwen was het tiendrecht voor de kerk een belasting waarmee de geestelijkheid van een inkomen werd voorzien. Na de afzwering van Philips II in 1581 verkregen de Staten van Zeeland het tiendrecht in grote delen van Zeeland. Met de Reformatie confisqueerde men de goederen van de Rooms-katholieke kerk en de kloosters. De geestelijke inkomsten werden in Zeeland vanaf die tijd door rentmeesters beheerd.

De Staten van Zeeland gebruikten de opbrengst van de tienden voor de financiering van de protestantse eredienst: onderhoud van kerkgebouwen en traktementen voor predikanten.
In de zeventiende en de achttiende eeuw werden een aantal keren grote partijen tienden verkocht om de steeds toenemende overheidsuitgaven te dekken. Kopers waren vooral particulieren die op deze manier een goede belegging van hun bezittingen verkregen. De Staten van Zeeland besloten in 1770 tot de verkoop van domaniale en geestelijke tienden. De Gecommitteerde Raden, aan wie met de Rekenkamer de uitvoering van het besluit was opgedragen, ondervonden de moeilijkheid dat de grenzen van de tiendblokken, met name op Walcheren, onduidelijk waren. Zij besloten daarom die nader vast te stellen.[4]

Vooral in Zeeland was veel grond tiendplichtig. Hoewel deze vorm van belasting algemeen verspreid was, verschilde de wijze van inning geheel volgens plaatselijk gebruik.

Het heffen van de tienden ging op Walcheren als volgt. Voor de verpachting van de landerijen werd de waarde van de tienden getaxeerd. Nadat de tiendplichtigen een opgave hadden gedaan van de door hen gezaaide gewassen, werd de waarschijnlijke waarde geschat door twee deskundigen en de rentmeester. De verwachtingen omtrent de oogst hadden hierop invloed. De gemiddelde marktprijs van het graan in juni van het verlopen jaar was de grondslag om de waarde te berekenen.[5]
Algemeen gangbaar was dat als de gewassen rijp waren, deze op schoven werden gezet of in zakken gedaan, waarna de betreffende landbouwer 'ene wete' deed bij de heffer om te komen 'vertienden'. Deze of diens plaatsvervanger ging de schoven langs vanaf een door hem gekozen punt en wees daarna telkens de tiende aan als de zijne.

In de negentiende eeuw kreeg de Polder Walcheren naast het jaarlijkse dijkgeschot dat over alle schotbare landen werd geheven, ook een vijftiende deel van de tienden, ter bekostiging van het beheer van de polder.[6]

Walcheren telde indertijd 212 tiendblokken, waarvan de meeste tot de jaren tachtig van de achttiende eeuw toebehoorden aan de Staten van Zeeland. Deze blokken vormden voor de tiendheffers (de grondeigenaren) in feite administratieve eenheden om de tienden van een aantal percelen te beheren. Ter onderscheid hadden deze tiendblokken ieder een naam. De namen verwijzen vaak naar oude bloknamen in de overlopers, naar geestelijke functionarissen of zijn een louter geografische aanduiding. De blokken volgden niet altijd de gemeentegrens; enkele waren 'grensoverschrijdend'.

1 Voor de geschiedenis van de tienden zie Kosters, Het oude tiendrecht, en de aantekeningen van Tack, in: Zeeuws Archief, Collectie P.L. Tack, inv.nr. 8. In Veldnamen Biggekerke-Zoutelande en in Veldnamen Aagtekerke, Domburg, Meliskerke, Oostkapelle en Westkapelle is ook over de tienden en tiendblokken geschreven (resp. pp. 34-39 en pp. 27-34).

2 Bouman, Zeeuwschen landbouw, p. 97.

3 Bijbelboek Genesis hoofdstuk 14 vers 20.

4 ZA, Archief Staten van Zeeland, inv.nr. 1848.

5 Van der Graft, Geschiedenis, p. 98.

6 Tak, Polderbeheer, p. 12