Veldnamen in de overlopers

Inleiding

Het eiland Walcheren was lange tijd verdeeld in vier zogenaamde wateringen. Voor elke watering bestond er een 'overloper' waarin elke parochie of elk ambacht, gelegen in de watering, stond beschreven, verdeeld in 'blokken'. Per blok werden alle percelen opgetekend, met daarbij de naam van de eigenaar en van de gebruiker en de grootte. Zowel de groot­te van de blokken als die van de percelen liep sterk uiteen. Op Walcheren rekende men met de Blooise maat, waarbij 1 Bloois gemet gelijk was aan 300 roeden (1 gemet = 0,4 hectare). De optekening van al die percelen geschiedde om het 'geschot' te kunnen berekenen: de bijdrage in de kosten voor aanleg en onderhoud van watergangen, sluizen, heulen en buitendijkse werken, waartoe elke grondeigenaar verplicht was. Vrij van geschot, en dus ook niet in de overlopers beschreven, waren moerassen, wegen, watergangen, dijken, duinen, steden en de ring van de meeste dorpen. Wel komen wegen en watergangen soms voor in de blokomschrijvingen.

In het kort werkte het systeem als volgt. De basis voor de berekening, ook wel verhevening genoemd, kon op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door het kopiëren van een vorige overloper door de waterklerk, de ontvanger van het geschot; in de tweede plaats door opmeting van land door één of twee landmeters. Uiteraard was de eerste mogelijkheid minder tijdrovend en goedkoper.

Idealiter zou de verhevening om de zeven jaar moeten plaatsvinden, tegelijk met de vernieuwing van de pachten. Dat is echter nooit gebeurd. De termijn werd steeds langer, zodat vanaf het eind van de zeventiende eeuw de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de aanduiding van de blokken en percelen en hun oppervlakte onzeker zijn. Deze situatie duurde met vallen en opstaan voort totdat vanaf 1 oktober 1832 de grond in de kadastrale leggers werd beschreven.