Wegen, wegelingen en paden

Uitgelicht

De overzichten van de wegnamen zijn voornamelijk gebaseerd op de liggers van wegen en voetpaden van 1885-1925 en de bijbehorende leggerkaarten[1], op vergelijking met ander (ouder) kaartmateriaal en op de informatie die door sommige veldwerkers is verzameld. Zoals hierboven werd vermeld, zijn de dialectnamen op de kaarten aangegeven; in de lijsten staat eveneens de corresponderende ABN-benaming. Een voorbeeld: de Noorddorpseweg te Sint Laurens werd in de volksmond Zwartewegje of Zonderweg genoemd.

Bij de wegnamen kan onderscheid gemaakt worden in wegen, wegelingen, paden, banen en dreven.

Wegen
In wegen zaten nogal wat bochten en kronkels, omdat ze vanwege de begaanbaarheid aangelegd waren op de hogere delen: de (flanken van de) kreekruggen. Daardoor werd een doorgaande route langer dan strikt noodzakelijk was. Om voor voetgangers de weg te bekorten werden paden aangelegd over de velden en door de weilanden.

Wegelingen
Vanaf de kreekruggen liepen zijwegen het lage poelgebied in, waar ze vaak doodliepen. Ze  werden zoekwegen of wegelingen genoemd. Deze wegen worden beschouwd als ontsluitingswegen van de poelen met als doel het aanwezige veen daar weg te halen. In eerste instantie werd het veen gebruikt voor zoutwinning, later als brandstof. Het weghalen van het veen werd moerneren genoemd. Het is bewezen dat een aantal wegelingen eindigde in een gebied van gemoerde grond. Eén van de wegelingen in Ritthem heette dan ook Moeringswegeling.
In de eerste helft van de 18de eeuw telde Walcheren nog 268 wegelingen. Door de Herverkavelingwet van 1947 zijn de meeste van deze karakteristieke weggetjes verdwenen.
Bijna alle wegelingen hadden een officiële naam, waarvan sommige in de volksmond anders werden genoemd. Zo was de officiële naam van een wegeling in Serooskerke Gapingsewegeling, terwijl het in de volksmond Moordenaerswegelienk werd genoemd. Waarschijnlijk is er ooit iemand vermoord. In Gapinge werd in de volksmond een wegeling ‘t ‘Oerewegelienk genoemd. Deze naam hoeft geen verdere uitleg. ’t Bleekerswegelienk was in Zoutelande te vinden. Hier lagen de bleekvelden voor de netten toen Zoutelande nog een vissersplaats was. Veel wegelingen zijn genoemd naar personen. Zo lag de Koddeswegeling in Grijpskerke en de Wondergemswegeling in Souburg.

Paden
Een 'pad' is in het dialect vaak synoniem met 'weg(t)'.[2] Het betreft in dit veldnamenboek meestal voetpaden (in het Zeeuws zegt men 'de pad').

Banen
Een 'baene' is ook een weg of voetpad, maar is in Zeeland meestal de overgang over of langs het bouwland ter vervoer van landbouwproducten. Een baene leidt vaak naar landerijen die geen directe verbinding met de weg hebben en van een andere eigenaar of pachter zijn. En een baene is natuurlijk ook de oprijlaan naar de boerderij, [3] een laan die zeer lang of van slechts enkele meters lengte kon zijn. Meestal was de baan (in de laatste betekenis) aan weerszijden beplant met hooggroeiende heesters, die in de lente in bloei stonden. De baan was zo breed, dat men er met een voer hooi gemakkelijk langs kon rijden. Zij werd van de openbare weg afgescheiden door het hofhek, in de regel een eenvoudig witgeschilderd houten hek, met de naam van de boerderij er in zwarte letters op aangebracht. Sierlijk gesmede hekken, bevestigd aan stenen pilaren waren er ook. Een oprijlaan met een dergelijk fraai hek was vaak de enige herinnering aan een buitenverblijf waar de boerderij oorspronkelijk bij hoorde.[4]

Dreven
Een 'dreve' (dreef) is een laan bij een buitenplaats of de (minder gebruikelijke) aanduiding voor een oprijlaan van een boerderij.[5]
Wegelingen of zoekwegen zijn smalle, meestal doodlopende slingerweggetjes, aangelegd ter ontginning van de poelgebieden.

1 Zeeuws Archief, Archief Polder Walcheren 1870-1953, inv.nrs. 323, 2692, 2694, 2699, 2702.

2 Ghijsen, Woordenboek, p. 687.

3 Ghijsen, Woordenboek, pp. 50-51.

4Vader, Boerderij, pp. 30-31.

5 Ghijsen, Woordenboek, p. 194.